Hornix Genealogie

In 1694 komt Anton Hornick in het gevolg van het Beierse leger naar Weert. De door hem meegebrachte Henrich blijft achter bij zijn weduwe Anna Margareta Breukers, dochter van meister Hendrik uit Weert. Zij vervult haar rol als stiefmoeder van Henrich (Heinke) en moeder van zijn beide halfbroers met grote toewijding, ook na het vroege overlijden van Anton. Dit in een crisistijd na de strijd tussen de door het Beierse hof gesteunde Franse bewind en de alliantie van Holland, Engeland en Oostenrijk. 
Anna Margaretha hertrouwt met Peter Bloemen en krijgt nog vijf kinderen. Peter en Anna blijven zeer begaan bij het lot van de kinderen Hornix.

De herkomst van Anton en Heinke blijft onduidelijk. Anton is de jachtmeester van Graf von Arco. Waarschijnlijk is hij van (niet adellijke) Oostenrijkse afkomst. Mogelijk kennen de families von Arco en Hornix elkaar uit vroegere tijden en is “jachtmeester” een eretitel, waarmee Anton een band met Beieren en daarmee met de Franse heerschappij wil benadrukken om zo zijn Oostenrijkse afkomst te verbloemen.

1700
Heinke is een zeer kundig chirurgijn, te Stramproy. Niet alleen in het zich twintig kilometer naar het oosten uitstrekkende vorstendom Thorn, maar ook in het zuidelijk gelegen graafschap Loon rijdt hij te paard zijn visites. Zijn patiënten bezoeken hem vanuit de wijde omtrek, zelfs uit het Land van Luik en van de overkant van de Maas. Dit ondanks dat, zowel in Bree, Maaseik en Stockum chirurgijns zijn gevestigd. 
Heinke’s oudste zoon Anton junior is als zijn vader chirurgijn. In 1755 wordt hij “Keizer” van de schutterij der jonge schutten, hij vestigt zich in Tongerlo.

Filupke is de jongste zoon van Heinke. Deze chirurgijn is een gezien man en wordt, in de periode dat hij één van de burgemeesters van Stramproy is, ook aangesproken als “Meister Heine”. Filupke staat het de inwoners toe, jaar in jaar uit dezelfde turfplaats te behouden. Zoals hij zelf zegt, om ze de ogen vol turfmolm te gooien, opdat ze andere onnauwkeurigheden van zijn bestuur niet zouden zien.

1800
Filupke ’s enige zoon chirurgijn Theodor overlijdt na twee huwelijken en negen kinderen op veertigjarige leeftijd, kort na de geboorte van Hendrik. Zijn weduwe Elisabeth Smeets blijft met twee dochters, twee zonen en twee stiefzonen achter. Elisabeth voedt haar kinderen alleen op in een tijd waarin achtereenvolgend zowel het regime van Napoleon Bonaparte als de Hollandse heerschappij bestreden wordt. Schoonvader Filupke is de eerste acht jaar nog haar enige naaste familielid.

Hendrik blijft tot zijn drieëndertigste bij zijn alleenstaande moeder Elisabeth. Zij leven in armoede. Hendrik is metselaar. Zijn broers Jan Mathijs en Jacob Philip en twee neven vestigen zich in België.
Opmerkelijk is dat in het midden van de 19e eeuw, zowel in België als in Nederland de naam Hornikx wordt gebruikt. Zo noemen Hendrik en Joanna vijf van de acht kinderen Hornikx. Bij de geboorteaangifte van Thies in 1851 vergeet de ambtenaar van de burgerlijke stand de “k”. Als de ambtenaar de vergissing bemerkt, vraagt hij of hij het zal verbeteren, waarop Hendrik zegt: “Laat maar zitten”.
Ook zijn zonen Theo, Thies en Peter zijn in de bouw werkzaam, zij vestigen zich in Roermond. Hendrik houdt  dan nog wat geiten en schapen.

Zoon Thies ontwikkelt zich tot architect. Hij wordt directeur der Gemeentebedrijven in Venlo. Zijn bijnaam is Keien Thies. Thies houdt streng toezicht op bouwwerkzaamheden en is tevens actief als architect. Hij ontwerpt de Pope-fabriek, café Eugenie (Hogeweg 2), de burgemeesterswoning en bouwt de Apollo-Zaal (later Venlona-Zaal genoemd).

1900
In 1902 krijgt hij de vergunning voor het bouwen van het woonhuis met concertzaal aan de Noord- singel (later Hogeweg). Thies exploiteert de zaal tot 1909. Opa Thies is een man met groene vingers, hij heeft een schitterende rozentuin met kas. Bij zijn kleinkinderen is hij geliefd onder meer om de dropjes die hij altijd op zak heeft.
Pierre en Lei volgen hun vader Thies op als architect en bouwkundig tekenaar in Breda en Venlo.

Lei is de stamvader van de Venlose familietak. Hij is tekenaar bij de schoorsteenfabriek Canoy-Herfkens in Tegelen. Lei zingt in het kerkkoor onder leiding van Theo Jordans in de Sint Nicolaaskerk. Na zoon Nol wordt Jan geboren in een villa aan de Roermondseweg in Tegelen. Werkeloosheid maakt dat Lei in een sigarenwinkel deelneemt, in het pand van de voormalige banketbakkerij van zijn schoonvader. Hij wordt depothouder van sigarenfabriek Goulmy en Baar aan de Vleeschstraat 39. Dit leidt, zoals hij het zelf zegt, “tot grote stroppen in zaken”. Het gezin vervalt in armoede.

In 1924 treedt Lei als acquisiteur en controleur in dienst van Wernink ’s Beton Maatschappij, Leiden. Juni 1925 wordt hij voor vijf jaar benoemd tot directeur van het bijkantoor van Wernink ’s betonfabriek aan de Kaldenkerkerweg 132.
Dan slaat het noodlot toe, Lei overlijdt 22 oktober op zevenendertigjarige leeftijd bij een verkeersongeluk in Maasbracht. Hij laat zijn vrouw Marie als alleenstaande moeder met zes jonge kinderen achter. Marie, dochter van banketbakker Nol Verhagen, moet met haar gezin een crisis en de Tweede Wereldoorlog doorstaan. Ze krijgt veel steun van haar ongetrouwd gebleven zus Wies.
Lei ’s oudste zoon Nol emigreert naar de Verenigde Staten

Aansluitend op de middelbare school doet zoon Jan met succes het voorbereidend examen Bouwkundig Opzichter, met het kennelijke doel in de voetsporen van zijn grootvader te treden. Hij is in die tijd werkzaam als aankomend tekenaar bij architectenbureau Leusen te Venlo. Zijn carrière neemt echter een verrassende wending.